De Italiaanse gemeenschap in Delft bestaat nu 50 jaar en dat vierden ze op een mooie novemberavond. De Italianen in Delft zijn trots op hun geschiedenis in onze stad. En dat is terecht. Ze hebben als internationale forensen (beter bekend als gastarbeiders) een belangrijke bijdrage aan onze economie geleverd. En in de zestiger jaren leek dat ook de werkelijkheid te zijn. Maar met het uitbreken van de oliecrisis in 1973 werd de werving gestopt en de internationale forensen bleken niet massaal terug te gaan. In de landen waar zij vandaag kwamen was het immers ook crisis. De werkloosheid liep op, de internationale forenzen verloren hun werk en kwamen in de bijstand. Gezins- en familieleden kwamen over en de regering ging er wat van vinden. De gedachte voordelen van internationale arbeid sloegen om in de nadelen van segegratie en het beroep dat deze mensen deden op de bijstand. In een poging hier een oplossing voor te vinden werd een terugkeerbonus in het leven geroepen. Een oprotpremie.
Nu, vijftig jaar later zijn veel van de problemen van toen naar de achtergrond verdwenen. Een andere internationale migratie is langzaam een maatschappelijk probleem geworden: de vlucht voor honger, oorlog en armoede vanuit Afrika en het Midden Oosten naar Europa. De Italianen zijn in Delft gebleven. Ze trouwden en kregen kinderen, en kleinkinderen. Een enkeling ging de gemeentepolitiek in. Ze zijn met pensioen en kijken terug. Trots op het avontuur, hun aanwezigheid, hun bijdrage aan de economie en hun cultuur. En toch geïntegreerd, volgens velen. Ik ben benieuwd wat we over vijftig jaar vieren.